teksten

Bij gelegenheid van het Izis-retrospectief in Hôtel de Ville in Parijs (tot 29 mei) de onder de foto staande tekst die ik schreef in 1990 voor het toen nog bestaande blad FOTO:

Izis1Maikaart Izis

Pas jaren later zag ik op de achtergrond de auto’s en de huizen, de stad. Al die tijd waren mijn ogen gefixeerd gebleven op de dromerige naar binnengeleerdheid van de vrouw, in de pose van een danseres en de jongen naast haar, stevig met beide benen op de grond. Beiden volks gekleed: donkere lange jas aan en baret op. Onder de parasols hun povere handel: de lelietjes van dalen, een handvol bosjes, voor de eerste met, de dag van de arbeid, in Parijs. Alles glinstert na de voorjaarsregen, alles glanst en weerspiegelt in hemels licht alsof de verkopers met hun handeltje ontroering engelen zijn die – vermomd - even zijn neergezet op de hoek van een straat om elk moment weer te kunnen verdwijnen in het niets om op een andere straathoek in een andere wijk weer te verschijnen.
Izis is een van de weinigen die engelen kon zien, nog voor ze zichtbaar waren. Dat werden ze door zijn oog, met alle aardsheid en volksheid die je je maar kunt voorstellen: donkere jassen aan en baret op en verder wachten, wachten maar of er nog iemand anders is die ze ziet.



kaart-zegel-4 fotograaf: onbekend

dialoog

De filmer Yasujiro Ozu ensceneert de dialogen zo dat de personages vermijden elkaar aan te kijken. De personages bevinden zich tijdens het gesprek naast elkaar en kijken in dezelfde richting. Het zijn, zoals de Japanse filmcriticus Tadao Sato schrijft, ‘dialogen waarbij de personages naast elkaar zitten in de kamer die uitkijkt op de tuin en met elkaar praten terwijl ze eensgezind de blik op de tuin hebben gericht. Of dialogen waarbij de personages op een helling of aan een oever zitten en met elkaar praten terwijl men gezamenlijk over het wateroppervlak van een rivier kijkt’.
Sima Oqun stuurde uit Japan op 13 november 1928 een ansichtkaart aan Marg. Holtring, Amsterdam Netherlands Europe via Siberia, een boslandschap dat eenmaal op reis, een wonderbaarlijke metaformose heeft ondergaan. Het ijle winterlandschap -geen blad meer aan de bomen- bestaat uit donkere ijle stammen op de voorgrond, waar doorheen een zilverig weggetje, of een stroompje zigzaggend zijn weg vervolgt tussen de bomen verderweg, verdwijnend in de mist. Op de voorgrond is in hetzelfde bruin als de foto een postzegel geplakt vol tekens en geheimtaal en bovenin afgestempeld met een rode ronde cirkel, opnieuw vol tekens, stralen en afbeeldingen. De transparante stempel vormt over de weglopende stroom een raamwerk waarin onze gedachtes worden meegenomen, want we vertoeven in de rode cirkel in het hart van het landschap, in het wegkruipende stroompje licht.
Ons gesprek, zo stel ik me voor, kijkt uit op dit landschap. Naast elkaar gezeten vragen we ons af hoe we dichterbij kunnen komen, óver de uiteinden van ons wereldbeeld heen. Omdat ons blikveld gemeenschappelijk is weten we dat onze ogen zich, met de lichtstroom mee, uiteindelijk verenigen in de verte. Daar zullen we, hoe ver we nu ook nog van elkaar verwijderd zijn, elkaar ontmoeten.